Cliënt Online Nieuws Pink Web Applications http://www.clientonline.nl nl-nl Nieuwsberichten verzorgd vanuit Cliënt Online info@clientonline.nl Sat, 16 Oct 2021 04:32:46 +0100 <![CDATA[Zonder contractuele aflossingsverplichting geen renteaftrek]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/news.php5?office_id=1014&co2_news_task=show_article&article_id=106135 Een zoon en zijn vader gaan een overeenkomst van geldlening aan voor de aanschaf van de woning van de zoon. De vader verstrekt een lening van € 195.000. In de leningsovereenkomst staat dat de (restant)schuld in onderling overleg tussen geldgever en geldlener met elkaar wordt afgestemd en betaald. Voor het jaar 2015 heeft de inspecteur de aangifte van de zoon gevolgd. Hierin heeft de zoon de betaalde rente op de lening aan zijn vader in aftrek gebracht. De inspecteur weigert voor 2016 de aftrek en corrigeert de aangifte. Voor 2015 legt de inspecteur een navorderingsaanslag op. In geschil bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant is of sprake is van ambtelijk verzuim bij de aangifte 2015 en of de betaalde rente voor de lening voor de eigen woning aftrekbaar is. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur voor 2015 mocht afgaan de aangifte. Die maakte een verzorgde indruk. Een nader onderzoek naar de achterliggende feiten is niet nodig. Ook bestaat de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid dat het niet claimen van andere kosten dan rentekosten in de aangifte juist was. Van een ambtelijk verzuim is geen sprake. De navorderingsaanslag is terecht opgelegd. Voor aftrek van rente op een lening voor de eigen woning moet een contractuele verplichting bestaan tot de aflossing. De lening moet gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig zijn afgelost. In de leningsovereenkomst tussen de vader en zijn zoon staat dat de aflossing van de lening in nader onderling overleg tussen schuldeiser en schuldenaar wordt geregeld. Die bepaling voldoet niet aan de in de wet gestelde voorwaarden. Dat wel in overeenstemming met de wettelijke voorwaarden is gehandeld is niet van belang. De rente is niet aftrekbaar. Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 22-09-2021 (gepubl. 11-10-2021)]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/106135 Thu, 14 Oct 2021 12:00:00 <![CDATA[Wetsvoorstel bedrag ineens, RVU en verlofsparen aangepast]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/news.php5?office_id=1014&co2_news_task=show_article&article_id=106136 In het oorspronkelijk kon het keuzerecht bedrag ineens slechts op één datum worden uitgeoefend: de pensioeningangsdatum. In de tweede nota van wijziging bij het wetsvoorstel krijgt de deelnemer, op aandringen van de Tweede Kamer, de keuze om een bedrag ineens niet tot uitkering te laten komen op de pensioeningangsdatum, maar dit uit te stellen tot de maand februari van het jaar volgend op het jaar waarin de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt. Pensioenuitvoerders waren van mening dat de gekozen variant niet evenwichtig was en voor hen een complexiteit creëerde pop het gebied van administratie, communicatie en keuzebegeleiding. Vervolgens is op verzoek van de Eerste Kamer de beoogde inwerkingtredingsdatum van het keuzerecht bedrag ineens uitgesteld naar 1 januari 2023. Hierdoor kregen pensioenuitvoerders meer tijd om hun voorbereiding ten aanzien van dit keuzerecht zorgvuldig in te richten. Daarnaast kon deze extra tijd worden gebruikt om met pensioenuitvoerders te bekijken welke aanpassingen noodzakelijk zijn om de uitvoerbaarheid van de doorgevoerde aanpassingen van het wetsvoorstel te verbeteren. De staatssecretaris is met de pensioenuitvoerders tot het volgende voorstel gekomen. Eén van de problemen betrof de te grote doelgroep voor de uitstelmogelijkheid. De uitstelmogelijkheid komt nu beschikbaar voor personen die op de AOW-leeftijd met pensioen gaan. Het voorstel is dat deelnemers wiens pensioeningangsdatum ligt in de maand waarin zij de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken en de deelnemers wiens pensioeningangsdatum ligt op de eerste dag volgend op de maand waarin zij AOW-gerechtigd worden, de mogelijkheid krijgen om – indien zij kiezen voor een bedrag ineens – het bedrag ineens tot uitbetaling te laten komen in de maand januari van het jaar volgend op het jaar waarin zij AOW-gerechtigd worden. Een ander probleem betrof de uitkeringsreeks. Nu wordt voorgesteld dat de pensioenuitvoerder op het moment van pensioneren berekent welk bedrag tot uitkering moet komen in de maand januari volgend op het jaar waarin een deelnemer AOW-gerechtigd wordt, en dit bedrag apart zet. Dat bedrag wijzigt niet meer. De levenslange periodieke pensioenuitkering wordt op het moment van het kiezen voor een bedrag ineens (met dus een uitgestelde betaling) (pensioeningangsdatum) al aangepast. Kort gezegd ziet de uitkeringsstroom op 90-10-90 (90% periodieke uitkering – 10% bedrag ineens – 90% periodieke uitkering). De pensioenaanspraak blijft in omvang gelijk, maar wordt op een andere manier over de tijd verdeeld. Indien de gepensioneerde deelnemer overlijdt voorafgaand aan de uitbetalingsmaand januari, doet de pensioenuitvoerder deze deelnemer een nabetaling ter hoogte van 100% pensioenuitkering minus de reeds uitbetaalde en al naar maximaal 90% verlaagde periodieke uitkeringen. Het gereserveerde bedrag ineens als zodanig komt niet tot uitkering, maar in plaats daarvan ontvangt de overleden gepensioneerde deelnemer een nabetaling. Nu er overeenstemming is met (vertegenwoordigers van) pensioenuitvoerders over een vormgeving van de uitgestelde betaling van een bedrag ineens, die enerzijds een oplossing biedt voor de ‘geboortedatumproblematiek’ en anderzijds tegemoet komt aan de uitvoeringspraktijk, zal de staatssecretaris een wetsvoorstel ter aanpassing van het tweede uitbetalingsmoment zoals opgenomen in de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen opstellen. Alleen het onderdeel bedrag ineens is nog niet in werking getreden. De beoogde inwerkingtredingsdatum van het (aangepaste) voorstel is 1 januari 2023. Bron: Min. SZW 12-10-2021]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/106136 Thu, 14 Oct 2021 12:00:00 <![CDATA[Geen aftrek liquidatieverlies bij goede aankoop deelneming]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/news.php5?office_id=1014&co2_news_task=show_article&article_id=106133 Een bv koopt in 2004 van een derde 74% van de aandelen in een Limited (Ltd.) De indirecte moedermaatschappij van de bv koopt de resterende 26%. Deze moedermaatschappij brengt later dat jaar deze aandelen in de bv in. De Ltd. houdt (in)direct een 100% belang in acht andere lichamen. In 2012 vindt de liquidatie van de Ltd. plaats. De bv stelt daarbij een liquidatieverlies te hebben geleden van € 17.536.821. De Belastingdienst stelt het liquidatieverlies echter op nihil. Daarbij past de fiscus een wettelijke bepaling voor de liquidatie van een tussenhoudster toe. Deze bepaling treedt in werking als de deelneming van de ontbinden tussenhoudster na de verkrijging in waarde is gedaald. Deze waardedaling komt in mindering op het aftrekbare liquidatieverlies. In dit geval overtreft de waardedaling na de verkrijging van het belang in de Ltd. het liquidatieverlies. De bv betwist voor Hof Amsterdam dat de waardedaling pas na de verkrijging van de deelneming in de Ltd. is ontstaan. Zij claimt dat de aankoop van de aandelen een miskoop is geweest. Het hof hanteert als uitgangspunt dat de koopprijs die derden overeenkomen gelijk is aan de waarde in het economische verkeer van de aandelen. Als de bv een stelling inneemt die van dat uitgangspunt afwijkt, zal zij deze stelling aannemelijk moeten maken. Maar dat lukt de bv niet. Het hof oordeelt dan ook dat de bv geen liquidatieverlies mag aftrekken. Bron: Hof Amsterdam 23-02-2021 (gepubl. 06-10-2021)]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/106133 Wed, 13 Oct 2021 12:00:00 <![CDATA[Wet Betaald ouderschapsverlof aangenomen]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/news.php5?office_id=1014&co2_news_task=show_article&article_id=106134 Met dit wetsvoorstel worden de Europese afspraken voor een beter evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Het gaat om maatregelen op het gebied van verlof voor zorgtaken en flexibel werken die door moeten werken in de Nederlandse wetgeving. Op dit moment geldt een regeling van 26 weken ouderschapsverlof per ouder in de eerste acht levensjaren van het kind. Met dit voorstel worden beide ouders in het eerste levensjaar van het kind voor negen van deze weken gedeeltelijk doorbetaald. Deze weken komen bovenop de 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof voor de moeder en 6 weken geboorteverlof voor de partner. De wet betaald ouderschapsverlof zal op 2 augustus 2022 inwerking treden. Het betaalde ouderschapsverlof gaat ook gelden voor ouders die vóór de invoering van de wet een kind krijgen. Het kind moet op het moment dat de wet ingaat jonger dan een jaar zijn. Ook moeten ouders op dat moment werken en nog niet het volledige recht (26 maal de arbeidsuur per week) op ouderschapsverlof hebben opgenomen. Tijdens het debat bleek dat het overgrote deel van de Eerste Kamer vreest dat 50% doorbetaling voor mensen met lagere inkomens te weinig zal zijn om voor het ouderschapsverlof te kiezen. Zij bepleitten een percentage van 70%. Daarmee kan volgens hen ook voorkomen worden dat alleen vrouwen kiezen voor het betaald ouderschapsverlof. Vrouwen verdienen over het algemeen minder en werken minder dan mannen, dus het verlies van hun inkomen is dan makkelijker te ondervangen voor gezinnen. Daarom is een motie ingediend om het doorbetalingspercentage te verhogen naar 70%. Deze motie is aangenomen. Bron: EK 12-10-2021]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/106134 Wed, 13 Oct 2021 12:00:00 <![CDATA[Minder hypotheekrenteaftrek door buitenlands inkomen partner]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/news.php5?office_id=1014&co2_news_task=show_article&article_id=105711 Een vrouw woont met haar echtgenoot in België en heeft met hem daar een ‘eigen woning’. Deze vrouw geniet in 2015 een loon uit een dienstbetrekking in Nederland. Het gaat om een bedrag van € 71.605. Haar gepensioneerde echtgenoot geniet in 2015 een inkomen van € 21.601. Zijn inkomsten zijn uitsluitend belast in België. De vrouw vermeldt in haar aangifte IB/PVV 2015 dat zij een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is. Daarom trekt zij 100% van de hypotheekrente af. Maar de Belastingdienst accepteert slechts 50% van het opgegeven bedrag. In België heeft de echtgenoot geen hypotheekrente kunnen aftrekken. De vrouw gaat in beroep. Maar Hof Den Bosch oordeelt dat de beperking van de aftrek bij de vrouw tot 50% van de hypotheekrente niet in strijd met het Unierecht. De vrouw gaat daarop in cassatie bij de Hoge Raad. De Hoge Raad past de volgende redenering toe. De partijen zijn het erover eens dat het gezinsinkomen in 2015 voor minder dan 90% in Nederland is verdiend. Ook staat vast dat de echtgenoot in België genoeg inkomen heeft genoten om de aftrek van zijn deel van de hypotheekrente in België ten gelde te kunnen maken. Het uitgangspunt is dat de woonstaat rekening dient te houden met de persoonlijke en gezinsomstandigheden van de belastingplichtige. Alleen in uitzonderingsgevallen gaat die verantwoordelijkheid over op de werkstaat. Dan gaat het om situaties waarin de belastingplichtigen het gezinsinkomen voor 90% of meer in de werkstaat verdienen. Daardoor kan de woonstaat geen rekening houden met die aftrekposten. Maar deze situatie is niet aan de orde in de desbetreffende casus. De vrouw kan zich daarom niet beroepen op de rechtspraak over de uitzonderingssituaties. De vrouw werpt nog tegen dat de Belgische belastingwetgeving niet toelaat dat haar echtgenoot zijn deel van de hypotheekrente aftrekt. Maar de Hoge Raad kent daar geen verdere betekenis aan toe. Hier is sprake van een dispariteit tussen de belastingstelsels van Nederland en België. Het cassatieberoep van de vrouw is ongegrond. Bron: Hoge Raad 08-10-2021 (ECLI:NL:HR:2021:1472)]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/105711 Tue, 12 Oct 2021 12:00:00 <![CDATA[Fiscus mag camerabeelden gebruiken voor (na)heffing MRB]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/news.php5?office_id=1014&co2_news_task=show_article&article_id=105271 De zaak betreft een autohandelaar die de handelaarsregeling in de motorrijtuigenbelasting (MRB) toepast. Deze handelaar rekent onder meer een Land Rover tot zijn handelsvoorraad. Hij voorziet deze auto niet van een kenteken en betaalt er evenmin MRB voor. Toch ontdekt de fiscus dat iemand op 24 april 2020 met de Land Rover op de Nederlandse weg heeft gereden. De inspecteur legt daarom de autohandelaar een naheffingsaanslag MRB op van € 428. Daarnaast krijgt de autohandelaar een boete opgelegd van eveneens € 428. De autohandelaar tekent beroep aan tegen de naheffingsaanslag en de boete. Hij benadrukt dat de inspecteur zijn gedragingen heeft waargenomen met Elektronische Camerabeelden (ECB). De fiscus kreeg deze ECB aangeleverd van de politie. De autohandelaar beweert dat de camerabeelden zelf onrechtmatig zijn omdat zij een persoon fotograferen bij een waarneming op kenteken. Daarnaast stelt hij dat de inspecteur niet bevoegd is om de ECB te gebruiken. De rechtbank redeneert als volgt. Voor het opleggen van een naheffingsaanslag is alleen de constatering van het kenteken op de openbare weg van belang. Deze constatering is niet gekoppeld aan een persoonlijke gedraging van de bestuurder van de auto. Daarnaast merkt de rechtbank op dat de controlefoto in het dossier inderdaad het kenteken van de auto toont. Maar de bestuurder is niet herkenbaar in beeld. Daardoor is geen sprake van een schending van privacy. Ten slotte regelt de wet sinds 1 januari 2019 expliciet de bevoegdheid van de Belastingdienst om camerabeelden van de politie te gebruiken voor het (na)heffen van MRB. De autohandelaar draagt nog wat argumenten aan, maar zonder succes. De rechtbank verklaart het beroep van de autohandelaar ongegrond. Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 24-09-2021]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/105271 Mon, 11 Oct 2021 12:00:00 <![CDATA[Opgewekt vertrouwen geeft drie jaar 100% hypotheekrenteaftrek]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/news.php5?office_id=1014&co2_news_task=show_article&article_id=104484 In de praktijk blijft na een echtscheiding geregeld een van de ex-partners de voormalige echtelijke woning bewonen. Hoewel zo’n achterblijvende partner in beginsel maar voor 50% eigenaar van de woning zal zijn, betaalt hij vaak de volledige hypotheekrente. De helft van de hypotheekrente is dan aftrekbaar als financieringskosten van de eigen woning. Het andere deel van de hypotheekrente kan ook aftrekbaar zijn, maar dan als partneralimentatie. De achterblijvende partner moet dan wel verplicht zijn om de rente van zijn ex-partner te betalen. Anders is het voor de ex-partner betaalde deel van de hypotheekrente in beginsel niet aftrekbaar. De verplichting tot het betalen van de hypotheekrente van de ex-echtgenoot kan men bijvoorbeeld vastleggen in een echtscheidingsconvenant. Hof Den Bosch heeft een uitspraak gedaan in een zaak waarin deze problematiek aan de orde is. Een gescheiden man wil de hypotheekrente aftrekken die hij voor zijn vetrokken ex-echtgenote heeft betaald over de jaren 2010 – 2014. De ex-echtgenoten hebben echter geen echtscheidingsconvenant afgesloten. De fiscus staat daarom in eerste instantie in alle jaren maar 50% renteaftrek toe: het eigen deel van de man. De man gaat in bezwaar tegen zijn aanslag over 2011. Tot zijn verrassing komt de Belastingdienst zonder nadere motivering volledig aan zijn bezwaar tegemoet. Op 17 juli 2015 laat de inspecteur weten dat hij ten onrechte aan het bezwaar van de man tegemoet is gekomen. Het hof oordeelt echter dat de fiscus te eerbiedigen vertrouwen heeft opgewekt door volledig aan het bezwaarschrift van de man tegemoet te komen. Dit vertrouwen blijft bestaan totdat de inspecteur zijn standpuntwijziging duidelijk kenbaar heeft gemaakt. In deze zaak is 17 juli 2015 de datum waarop de fiscus de standpuntwijziging kenbaar maakt. Op die datum zijn de jaren 2012, 2013 en 2014 inmiddels verstreken tijdvakken. Het hof oordeelt daarom dat de man over die jaren alle hypotheekrente kan aftrekken. Bron: Hof Den Bosch 09-09-2021 (gepubl. 30-09-2021)]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/104484 Thu, 07 Oct 2021 12:00:00 <![CDATA[Laatste periode NOW: 27.500 aanvragen]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/news.php5?office_id=1014&co2_news_task=show_article&article_id=104485 UWV heeft inmiddels ruim 21.000 aanvragen voor de zesde periode NOW toegekend. Deze werkgevers, die samen 363.000 mensen in dienst hebben, hebben de eerste termijn en deels ook al de tweede en derde termijn van het voorschot ontvangen, in totaal € 613 miljoen. Ongeveer 1.000 aanvragen zijn tot nu toe afgewezen. De overige aanvragen zijn nog in behandeling. In totaal heeft UWV over alle zes periodes tot nu toe ruim € 20,1 miljard aan voorschotten uitgekeerd aan werkgevers, zodat zij lonen konden doorbetalen en werkgelegenheid behouden kon blijven. De afhandeling van de NOW is nog niet voorbij. Werkgevers hebben in eerste instantie een voorschot ontvangen op basis van een geschat omzetverlies en de loonsom in de referentiemaand, daarna volgt de definitieve berekening. Bij de definitieve berekening stelt UWV op basis van het daadwerkelijke omzetverlies en de feitelijke loonsom in de betreffende NOW-periode vast hoe hoog de definitieve tegemoetkoming is waar de werkgever recht op heeft. Dat kan leiden tot een nabetaling wanneer het daadwerkelijke omzetverlies hetzelfde of hoger is dan van te voren ingeschat. Een gedaalde loonsom en/of minder groot omzetverlies dan van te voren ingeschat kan leiden tot een terugvordering. Werkgevers moeten deze definitieve berekening zélf aanvragen. Het is belangrijk dat ze dat tijdig doen. Dient een werkgever die aanvraag niet op tijd in, dan moet het hele voorschot worden terugbetaald. Voor de eerste periode NOW (maart-mei 2020) kan de definitieve berekening nog tot en met 31 oktober worden aangevraagd. Ongeveer de helft van de 140.000 werkgevers die NOW hebben ontvangen, heeft die aanvraag nu ingediend. Werkgevers die nog wachten op hun derden- of accountantsverklaring moeten de definitieve aanvraag voor 31 oktober indienen. Zij krijgen vervolgens nog veertien weken om die verklaring af te ronden. Sinds maandag 4 oktober kunnen werkgevers ook de definitieve berekening aanvragen voor de derde periode NOW (oktober-december 2020). Zo’n 78.000 werkgevers moeten deze aanvraag nog doen. Bron: UWV 01-10-2021]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/104485 Thu, 07 Oct 2021 12:00:00 <![CDATA[BOR ook voor uit ruziesplitsing verkregen onderneming]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/news.php5?office_id=1014&co2_news_task=show_article&article_id=104232 Een vrouw schenkt al haar aandelen in een bv aan haar zoon. Moeder en zoon willen de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) toepassen op de schenking van de aandelen. Daartoe moet de moeder onder andere voldoen aan de zogeheten bezitseis. Dat betekent dat zij als schenker van een aanmerkelijk belang (ab) in de vijf jaren vóór de schenking een ab hield in een lichaam dat in die vijf jaar een materiële onderneming heeft gedreven. De inspecteur kijkt naar de bezittingen van de bv en de manier waarop zij deze heeft verkregen. Op het moment van de schenking bestaat het vermogen van de bv uit een 100% deelneming in een dochtervennootschap en een bedrijfspand. De bv stelt dat bedrijfspand ter beschikking aan haar dochtervennootschap. De bv heeft in het kader van een reorganisatie haar activa verkregen van een oudere holding van de vrouw. Deze oude holding heeft vóór deze reorganisatie 49% van de aandelen in een tussenhoudstervennootschap in eigendom gehad. Deze tussenhoudstervennootschap heeft weer diverse deelnemingen met ondernemingen aangehouden. Deze ondernemingen waren grofweg in twee segmenten te verdelen. Na de reorganisatie heeft de moeder het volledige belang in één segment van de onderneming. Voor het toepassen van de BOR sluit de inspecteur aan bij het belang van de oude holding in de tussenhoudstervennootschap van 49%. De fiscus meent dat de moeder voor maar 49% voldoet aan de bezitseis. Rechtbank Zeeland-West-Brabant is het met de Belastingdienst eens. Maar de zoon gaat in hoger beroep. Volgens het hof is voor de toepassing van de BOR de situatie op het tijdstip van de verkrijging beslissend. In deze zaak drijft de bv op het moment van de schenking een materiële onderneming. Niet relevant is of in die onderneming (zelfstandige) gedeelten zijn te onderscheiden. Dat zou anders zijn als men in de onderneming van de bv meerdere ondernemingen kan onderscheiden. Maar deze omstandigheid is hier niet aan de orde. Het feit dat het ab door middel van de ruziesplitsing de gehele onderneming omvat, houdt de toepassing van de BOR niet tegen. Het oorspronkelijke 49%-belang is door de ruziesplitsing namelijk een 100%-belang geworden in de onderneming. En die onderneming wordt als zodanig al vijf jaar in die vorm gedreven. Bron: Hof Den Bosch 17-09-2021]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/104232 Wed, 06 Oct 2021 12:00:00 <![CDATA[Subsidieregeling Verduurzaming MKB open]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/news.php5?office_id=1014&co2_news_task=show_article&article_id=104233 De overheid wil mkb’ers met deze subsidie ondersteunen om te verduurzamen vanwege het Urgenda-vonnis en het Klimaatakkoord. De regeling is op 1 oktober 2021 geopend en loopt tot en met 30 september 2022. Deze subsidieregeling is voor mkb-ondernemingen tot 250 werknemers (fte's) en een jaaromzet van maximaal € 50 miljoen, die: één of meer bedrijfspanden hebben of een bedrijfspand (of ruimte daarin) huren en; niet onder de wettelijke energiebesparingsplicht vallen. Het bedrijfspand mag dus per jaar niet meer dan 25.000 m3 aardgas(equivalent) en 50.000 kWh elektriciteit verbruiken. De regeling geeft subsidie voor advies over en ondersteuning bij het verduurzamen van uw bedrijfspand of bedrijfsvoering. Voor het opstellen van een energieadvies op maat door een gespecialiseerde adviseur en voor de ondersteuning bij de uitvoering van het advies. Beide onderdelen kan de ondernemer in één aanvraag per bedrijfspand aanvragen. De subsidie wordt alleen uitgekeerd als de ondernemer een bewijs kan overleggen dat hij of zij één of meerdere maatregelen uit het energieadvies gaat uitvoeren of heeft uitgevoerd. In het advies staan de mogelijke energiebesparende- en verduurzamingsmaatregelen (op het gebied van CO2-verlaging) voor het bedrijfspand en/of de bedrijfsvoering beschreven. Het energieadvies moet zijn opgesteld door een energieadviseur van een extern bedrijf. Ook kan subsidie worden aangevraagd voor concrete begeleiding en ondersteuning bij het nemen van minimaal één van de maatregelen uit het energieadvies, een zogenoemde energieregisseur. Ook de energieregisseur mag niet bij het bedrijf van de ondernemer werkzaam zijn en moet in het bezit zijn van een eigen kvk-nummer. De subsidie voor het energieadvies én het ondersteuningstraject bedraagt 80% van de gemaakte kosten (excl. btw) met een maximum subsidiebedrag van € 2.500 per bedrijfspand. Voor het energieadvies geldt een minimum subsidiebedrag van € 400 en een maximum subsidiebedrag van € 750. Dit zijn netto bedragen. Het minimum subsidiebedrag van € 400 voor het advies betekent dat een energieadvies van minder dan € 500 (excl. btw) niet in aanmerking komt voor subsidie. De aanvraag kan met eH2 worden ingediend via de site van RVO.nl. Houdt er rekening mee dat de kosten van de uit te voeren of uitgevoerde maatregelen zelf niet in aanmerking komen voor deze subsidie. Voor de maatregelen zelf zijn mogelijk andere subsidies beschikbaar, zoals bijvoorbeeld de Investeringssubsidie Duurzame energie en Energiebesparing (ISDE) of belastingaftrek via de Energie-investeringsaftrek (EIA). Meer informatie is te vinden op de site van RVO.nl. Bron: RVO.nl 05-10-2021]]> http://www.clientonline.nl/co2_news/104233 Wed, 06 Oct 2021 12:00:00