« terug
Onjuist juridisch standpunt in aangifte is geen kwade trouw
Soms neemt de eigenaar van een woning in zijn aangifte inkomstenbelasting een onjuist juridisch standpunt in over de hypotheekrente. Als hij dit standpunt duidelijk heeft weergegeven en de fiscus de juiste informatie heeft verstrekt, is in beginsel geen sprake van kwade trouw. Dit beperkt de navorderingsmogelijkheden van de fiscus.
Een echtpaar koopt in 1996 een pand, dat op dat moment bestaat uit drie appartementen. Twee van deze drie appartementen worden verhuurd. Het echtpaar financiert de woning en latere verbouwingen met diverse leningen. Zij hebben eerst het voornemen om het hele pand te gaan bewonen. Maar in 1999 besluiten zij maar twee appartementen te bewonen. Omdat zij een groot deel van de schulden toerekenen aan het deel dat zij bewonen, trekken zij gedurende vele jaren een fors bedrag aan hypotheekrente af. Wanneer het tot een echtscheiding komt, verkopen de ex-echtgenoten de woning.
Na een uitgebreide correspondentie in 2018 constateert de inspecteur dat hij ten onrechte de opgegeven hypotheekrenteaftrek volledig heeft geaccepteerd. Feitelijk is maar een derde van de opgegeven bedragen aftrekbaar. De Belastingdienst legt de ex-echtgenoten daarom navorderingsaanslagen IB/PVV op over de jaren 2013 tot en met 2016. De ex-echtgenoten krijgen daarnaast te maken met een ander probleem. Zij werken allebei voor de Belastingdienst, die het jarenlang indienen van onjuiste aangiftes aanmerkt als ernstig plichtsverzuim. Daarom worden de man en de vrouw ontslagen. De ex-echtgenoten procederen zowel tegen het strafontslag als tegen de navorderingsaanslagen. Rechtbank Den Haag behandelt onder meer de fiscale zaak van de man.
Op zich is de rechtbank het eens met de correcties van de Belastingdienst. De rechtbank oordeelt echter eveneens dat geen sprake is van kwade trouw bij de man. Hij heeft zijn juridische standpunt met betrekking tot de eigen woning en renteaftrek steeds opgegeven in zijn aangifte. Op verzoek van de fiscus heeft hij ook alle gegevens verstrekt die van belang waren voor de aangifte. De Belastingdienst is niet doelbewust op het verkeerde been gezet. De inspecteur maakt evenmin aannemelijk dat de man hem opzettelijk onjuist heeft geïnformeerd of onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. Bovendien gelooft de man dat hij zijn juridische standpunt met de inspecteur heeft afgestemd en dat de inspecteur daarmee akkoord was. Het indienen van een onjuiste aangifte ligt dan ook eerder in de sfeer van een bij de man ontstaan misverstand.
Aangezien geen sprake is van kwade trouw, oordeelt de rechtbank dat de fiscus niet mag navorderen over 2013. Bovendien betekent het ontbreken van opzet dat de vergrijpboetes ten onrechte zijn opgelegd. De rechtbank vernietigt daarom de navorderingsaanslag over 2013 en alle vergrijpboetes.
Bron: Rb. Den Haag 14-07-2021 (gepubl. 19-10-2021)